Historie

Hoe komt het ”Heilig Kruisgilde” aan haar naam en wanneer is zij opgericht? 
Om het antwoord op deze vragen te vinden moeten wij teruggaan naar het vroege ontstaan van Gerwen, zelfs nog voor het ontstaan van Hooidonk.

Het ontstaan van Gerwen ligt in de gedwongen vestiging van Saksische gezinnen door Keizer Karel de Grote in de 8e eeuw . De eerst bekende schuurkerk in Gerwen is ontstaan omstreeks het jaar 1000 . Het is  zeer aannemelijk dat de verering van St. Clemens zeer populair is geworden onder de ‘’Dietse’’ landen en volkeren door de bisschopswijding van St. Willebrord in 695, die de toenaam ontving als zijnde St. Clemens. Deze St. Clemens verering is later, tijdens de 8e eeuw, verder verspreid door de Benedictijnenmonniken die onder de Germaanse stammen leefde. Het heeft dus de voorkeur om het ontstaan van de eerste kerk der Gerwen te zoeken in de loop van de 8e eeuw, eveneens als die van de andere aan St. Clemens gewijde kerken in deze regio . Het zijn ook deze zelfde Germaanse stammen die er rituele offermaaltijden op nahielden. De etymologie van de woorden ”gilde” en ”guld” leidt ons naar de gildemaaltijd waar de deelgenoten aan meebetaalden, voornamelijk in natura. . Het is Keizer Karel de Grote die in 779 deze gilden bij wet verbiedt en daarin zegt:

Niemand zal de euvele moed hebben een eed af te leggen, waarmee men placht zicht te verbinden aan een Gilde. Welke overeenkomsten er ook gemaakt worden in die Gilde, niemand mag door een eed geldelijke bijdragen betalen voor noodgevallen zoals scheepsramp en branden

Dit geeft aan dat Karel de Grote niet gediend was van de zelfstandige vorm van bestuur die de heidense gilden hadden gecreëerd. Naast Karel de Grote was ook de kerk argwanend tegenover de gilden. Bisschop Hincmar van Reims spreekt in 852 een verbod uit op de heidense praktijken van de ”gildoniae” omdat overmatig drinken leidde tot dronkenschap en vechten. Echter alle goede zaken zoals het voor elkaar zorgen, assistentie verlenen, maaltijden en begrafenissen verzorgen mochten blijven bestaan. De gilden konden deze verboden overleven door in een rap tempo te verchristelijken en de kerk doopte de goede rituelen om in de naam van de kerk. Al deze ”goede” activiteiten zijn later ook in de ‘’caerten’’ van de middeleeuwse gilden geformaliseerd.

Ook in het eigen, zeer beperkte, archief van het Heilig Kruisgilde vindt men in het jaar 1550 een verwijzing naar een perkamant ondertekend door Keizer Karel de Grote, aldus Adam van Elst.
Nog vind men eene onduidelijke beschrijving over deze Guld of Gilde van eene stichting van Keizer Karel de Grooten dat er nog eene ware en echte handteekening op Perkament moet zijn geweest welke verschillende namen van hooge mannen en van dien Groote Keizer bevatten deze Papieren moeten zijn verloren geraakt omtrent het Jaar dato 1500 volgens Adam van Elst dato 1550

Beschrijving over gilde van een stichting van Keizer Karel de Grooten (uit de archieven van het Heilig Kruisgilde)

Het prikkelt de menselijke verbeelding om te stellen dat dit het daadwerkelijke wettelijke verbod van Keizer Karel de Grote zou kunnen betreffen. Hoe werden vroeger anders de besluiten gecommuniceerd, als dit niet via officiële perkamenten plaatsvond. Om wat voor soort verordening het werkelijk ging zullen we waarschijnlijk nooit weten. Wel staat vast dat Keizer Karel de Grote, te samen met de Katholieke kerk, erbij gebaat was om ook de Germaanse volkeren, en bijbehorende gilden te bekeren tot het Christendom. Hiervoor werden kosten, nog moeite gespaard en hele gevechten tussen volkeren gevoerd.

Drie Philips guldens (uit de “caert” van 4 November 1756 van het Heilig Kruisgilde)

Het is duidelijk dat deze heidense gilden, van Germaanse afkomst, door de verschillende verboden en oorlogen, snel verchristelijkten. Deze gilden vormden op dat moment de ruggensteun van de samenleving en zo later ook van de kerk. Zodoende zijn in de 11e eeuw de eerste religieuze broederschappen ontstaan. De oorsprong van deze religieuze broederschappen is heel verschillend, van godsdienstelijke verdieping, tot aan het zelfstandig zijn. Zij stichten altaren, begraven hun eigen doden, branden kaarsen, gaan voor in processies en houden feestmalen. Tot de meeste broederschappen kunnen zowel mannen als vrouwen toetreden. Zulke broederschappen werden ook wel als gilde, guld of als gildebroederschap genoemd. Deze religieuze broederschappen zijn dus ouder dan de eerste schuttersgilden, die pas zijn ontstaan eind 13e eeuw en welke alleen uit mannen mochten bestaan. Zo blijkt ook uit de overgebleven en overgeschreven caert uit 4 november 1756 van het Heilig Kruisgilde. In deze ‘’caert’’ word melding gemaakt van het toelaten van ”goede eerbaare mannen en jonge gesellen”. Het toont ons aan dat het Heilig Kruisgilde haar wortels, als religieus broederschap, heeft weten vast te houden tot aan 1758, hierrna is ”jonge gesellen” als ook het woord ”bruid” doorgestreeptix. Dit geeft aan dat het Heilig Kruisgilde op latere dato getransformeerd is tot een schuttersgilde waarbij alleen mannen lid van konden worden. Een tweede interessante ontdekking is dat er op de ‘’caert’’ gesproken wordt van het terugkopen van de Keizersvogel voor 3 Philips guldens welke per stuk 25 stuivers waard zijn. Dieper onderzoek naar deze Philips guldens toont aan dat deze gebruikt werden onder Hertog van Brabant Filips I van Castilië, tussen 1482 en 1506. Een derde ontdekking in de caert geeft aan dat de gildebroeders verplicht op het Heilig Kruis altaar moeten offeren ten gunste van het gilde. Dit Heilig Kruis altaar word voor het eerst genoemd in 1474 en bleef tot 1648 bestaan waarna het werd geruimd. Een vierde ontdekking in de ‘’caert’’ geeft aan dat het gilde haar eigen broeders begraaft. De gehele ‘’caert’’ van het Heilig Kruisgilde geeft aan dat het gilde een, van oorsprong religieuze, broederschap is. Het zijn echter de uitgelichte bovenstaande vier punten die aantonen dat het gilde al van zeer oude oorsprong is. Vermoedelijk is het Heilig Kruis op latere dato langzaam getransformeerd tot een schuttersgilden. Getuigen dat in 1758 vrouwen niet meer mochten toetreden.

Dit brengt ons naar het ontstaan van het maagdenklooster van Hooidonk in 1146 te Nederwetten. Volgens A.M. Frenken is niet onwaarschijnlijk dat de gronden, behorende tot Hooidonk in den oude tijden, onder de parochie van Gerwen vielen. Dit zou zonder meer verklaren waarom er al sinds de middeleeuwen een zeer bijzondere Heilig Kruisverering plaatvond in de parochie van Gerwen.

Beschrijving van goederen van gilde in 1756 (uit de archieven van het Heilig Kruisgilde)

En zoals A.M. Frenken opmerkt de ‘’oude van dagen’’ weten nog dat deze Heilig Kruisverering tot 1900 heeft plaatsgevonden. In de oudste kerkrekeningen word duidelijk dat er geofferd wordt op het Heilig Kruis altaar.In het bijzonder op 3 Mei, de Kruisvinding. En op 14 September, de Kruisverheffing. Deze Heilig Kruisverering moet gestart zijn omtrent 1220, toen een kruisridder het Heilig Kruis partikel aan een het klooster van Hooidonk schonk. Het betrof een splinter van het kruis van Christus van ± 8 cm lang. Het is zeer waarschijnlijk dat gelijktijdig met de Heilig Kruis verering, het gilde aan haar hedendaagse benaming is gekomen. Dit relikwie van het Heilig Kruis werd om praktische redenen bewaard en vereerd in de Gerwense kerken . Ter ere van de inwijding van de nieuwe stenen kapel van Hooidonk op 4 september 1244, waren de relieken van Hooidonk tentoongesteld. Zo ook het Heilig Kruis partikel, dat werd vereerd in Gerwen en voor de gelegenheid naar Nederwetten was overgebracht. Het is ook op 4 september 1244 dat bisschop Bonifatius het wonder van Hooidonk verricht. In het archief van het Heilig Kruisgilde is dan ook nog een notitie te lezen die melding maakt van een 20-tal schilden, welke allen van de stam Adam van Deurse zijn en nog oudere met de jaartallen 1214 of 1241. Aldus Jan van der Putten Koning en Kapitein in 1756. Ervan uitgaande dat beide jaartallen niet meer goed leesbaar waren. In de wetenschap dat men van een 1, makkelijk een 4 kan maken, is het wijselijk dat we de jongst mogelijke data aanhouden met betrekking tot het schild. Dit zou betekenen dat het Heilig Kruisgilde in het bezit was van een schild dat uit 1244 zou stammen.
Helaas zijn er in de loop van de jaren, meer dan de helft van deze zilveren schilden verdwenen. Tot nu toe zijn er nog maar twee bestaande kerkelijk beschrijvingen gevonden die het Heilig Kruisgilde noemen.

Koperen kapiteinschild met daarop het familiewapen van Tassin de Torsay (bezit van het Heilig Kruisgilde)

De eerste is van 25 Mei 1619 waarin door Thomas Stricken tijdens een kerkvisitatie vermeld wordt dat: ‘’De gildemeesters van het Heilig Kruis verantwoording dienen te doen voor de pastoor en de schepenen’’. En de tweede vermelding in de vorm van een rekening van 1641-’43 waarin de kerkmeesters 3gl. 4 st. 1 oort ontvingen wegens de kaarsen die de gildebroeders van hen gekocht hadden. Tevens is het Heilig Kruisgilde nog in het bezit van een medaillon daterende uit de 15e eeuw hangende boven de koningsvogel, welke eveneens gedateerd is op de 15e eeuw.

Standaardvaandel uit 1921 (bezit van het Heilig Kruisgilde)

Ook is het gilde daarnaast in het bezit van een hernieuwde standaardvaandel uit 1921, ter ere van het toenmalige 400 jarige bestaan . Alsmede een ouder standaardvaandel uit omstreeks 1850. met daarop aan één zijde Christus aan het kruis en aan de andere zijde het familiewapen van B. Tassin de Torsay uit 1689, toen deze officier te Heusden was in het Staatse leger, afgebeeld. Vermoedelijk is dit een afstammeling van de Franse familie Tassin, die de heerlijkheid Torsay bezaten. Ook is het gilde, sinds uiterlijk 1756, al in het bezit van het koperen kapiteinsschild, hierop staat ook het familiewapen van B. Tassin de Torsay afgebeeld. Vooralsnog is tot op heden onduidelijk hoe dit koperen kapiteinsschild in het bezit van het Heilig Kruisgilde is gekomen, en waarom het gilde dat familie wapen is gaan voeren op het vaandel. Het verdere onderzoek hierover loopt nog en hierover volgt later nog een publicatie.

Het pdf document inclusief alle bronverwijzingen is met deze link in te zien